Je hebt zojuist gezien hoe je iets op het scherm kunt laten verschijnen met de functie. In deze opdracht test je het nogmaals uit met een ander voorbeeld.


Herhaling van de uitleg van de vorige pagina

We hebben tot nu steeds programma’s geschreven die bepaalde taken uitvoeren, zoals het berekenen van een som of het opslaan van gegevens. Maar al die berekeningen gebeurden eigenlijk achter de schermen. Hoe kunnen we de resultaten van deze taken zien? Dat is waar printen om de hoek komt kijken!

Wat is printen?

Printen is een manier om informatie op het scherm weer te geven. In Python gebruiken we de functie om tekst of andere gegevens naar het scherm te sturen. Dit is handig om iets aan de gebruiker te vertellen of vragen, of om te zien wat er in je programma gebeurt, vooral tijdens het debuggen.


Hoe gebruik je printen?

Om iets te printen, gebruik je de functie. Binnen de haakjes zet je wat je wilt printen. Dit kan tekst zijn, getallen, of zelfs variabelen die je eerder in je programma hebt gedefinieerd.


Voorbeelden van printen

Hier zijn enkele voorbeelden van hoe je de functie kunt gebruiken:

Voorbeeld 1: Printen van een getal

Je code:

print(42)

Op het scherm zie je:

42


Voorbeeld 2: Printen van tekst

Je code:

print("Hallo wereld!")

Op het scherm zie je:

Hallo wereld!


Voorbeeld 3: Printen van een variabele

Je code:

a = 10
print(a)

Op het scherm zie je:

10



Opdracht

Zet tussen de haakjes iets zodat de tekst 10 geprint wordt als je de code uitvoert.

Herinner: als je iets hebt opgeslagen in een variabele, dan is het niet goed programmeren om die waarde nog eens letterlijk te typen.

a = 10
print()

(Schrijf enkel iets tussen de haakjes, voeg verder niets toe.)