Met een variabele kun je een waarde opslaan en later teruglezen. Je kiest de naam zelf — kies een duidelijk zelfstandig naamwoord. Gebruik een liggend streepje (_) in plaats van een spatie, bijv. lengte_in_m.
Een waarde toekennen doe je met het isgelijkteken (=). Je leest het als “wordt”:
mijn_geluks_getal = 5 # mijn_geluks_getal wordt 5
print(mijn_geluks_getal) # drukt 5 af
Je kunt ook invoer van de gebruiker opslaan in een variabele:
naam = input()
print("Hallo", naam)
Je kunt de waarde van een variabele veranderen. De oude waarde wordt overschreven:
kleur_fiets = "rood"
print(kleur_fiets) # rood
kleur_fiets = "blauw"
print(kleur_fiets) # blauw
Je kunt een variabele ook laten rekenen met zijn eigen waarde:
getal = 2
getal = getal + 3 # getal wordt getal plus 3
print(getal) # 5