Schrijf een functie driehoek(n) die een driehoek van sterretjes afdrukt. Als n = 3 is de uitvoer:
*
**
***
**
*
De driehoek loopt eerst omhoog (1 t/m n sterren) en dan omlaag (n−1 t/m 1 sterren).
Vraag n als invoer en roep driehoek(n) aan.
Tip: print(3 * "*") drukt *** af.