Python kan rekenen met getallen. De meeste operatoren ken je al van wiskunde:
| Operator | Betekenis | Voorbeeld | Uitkomst |
|---|---|---|---|
+ |
Optellen | 2 + 4 |
6 |
- |
Aftrekken | 5 - 3 |
2 |
* |
Vermenigvuldigen | 2 * 4 |
8 |
/ |
Delen | 2 / 4 |
0.5 |
** |
Machtsverheffen | 2 ** 4 |
16 |
% |
Modulo (rest bij deling) | 10 % 3 |
1 |
De %-operator geeft de rest bij een deling. Het werkt als klokrekenen: je trekt steeds het getal eraf totdat het niet meer past.
print(10 % 3) # 3 + 3 + 3 = 9, rest is 1
print(7 % 2) # 2 + 2 + 2 = 6, rest is 1
print(8 % 4) # 4 + 4 = 8, rest is 0
Net als in de wiskunde geldt: eerst **, dan * en /, dan + en -. Gebruik haakjes om de volgorde te veranderen:
print(6 + 4 / 2) # 6 + 2.0 = 8.0 (eerst delen)
print((6 + 4) / 2) # 10 / 2 = 5.0 (eerst optellen)
leeftijd = 15
leeftijd_volgend_jaar = leeftijd + 1
print(leeftijd_volgend_jaar) # 16