Een programma moet gegevens onthouden: een leeftijd, een naam, een prijs, het resultaat van een berekening. Daarvoor gebruik je een variabele. Je kan een variabele zien als een doosje met een naam: je plaatst er een waarde in, je kan er later naar kijken, en je kan de inhoud vervangen.
In C# moet je op voorhand zeggen welke soort waarde een variabele bevat. Die soort noemen we het datatype. Het datatype bepaalt niet alleen wat je erin kan bewaren (een geheel getal, een kommagetal, tekst, …), maar ook hoeveel geheugen de variabele inneemt en welke waarden mogelijk zijn.
Voor getallen zonder cijfers na de komma. Hoe groter het bereik, hoe meer geheugen het type inneemt:
| Type | Bereik | Opmerking |
|---|---|---|
byte | 0 t.e.m. 255 | klein positief getal |
short | −32 768 t.e.m. 32 767 | |
int | ± 2,1 miljard | de standaardkeuze |
long | ± 9,2 triljoen | heel grote gehele getallen |
In de praktijk gebruik je meestal int. Pas als een getal te groot wordt
voor int, schakel je over naar long.
Voor getallen met cijfers na de komma:
| Type | Gebruik |
|---|---|
double | precieze kommagetallen — de standaardkeuze |
float | minder nauwkeurig, neemt minder plaats in |
decimal | zeer precies, ideaal voor geldbedragen |
Vuistregel: gebruik double, behalve voor geldbedragen — daarvoor is
decimal nauwkeuriger.
| Type | Soort | Voorbeeld |
|---|---|---|
string | tekst (een reeks tekens) | "Hallo" |
char | één enkel teken | 'A' |
bool | waar of niet waar | true / false |
Er bestaan dus heel wat datatypes, maar voor deze cursus volstaan vooral
int (geheel getal), double (kommagetal) en string (tekst).
In C# gebruik je een punt als decimaalteken, geen komma: schrijf
3.14, niet3,14.