Tijdens de atletiekles noteert een leerkracht de afstanden (in centimeter) die leerlingen springen bij het verspringen.
De gebruiker voert één voor één de afstanden in. Het programma houdt bij wat de kortste en langste sprong is. Wanneer de gebruiker ´-999` invoert, stopt het programma. Deze waarde is enkel een stopteken en telt niet mee.
Toon na afloop de kortste en de langste sprong, elk op een eigen regel:
langste: <grootste getal>
kortste: <kleinste getal>
Geeft de gebruiker meteen -999 in, dan zijn er geen getallen ingegeven.
Toon in dat geval:
Er zijn geen getallen ingegeven.
Omdat je altijd minstens één getal moet inlezen voordat je weet of het de -999
is, gebruik je hiervoor een do-while-lus.
Om het langste en kortste sprong te bepalen, start je met een startwaarde die zo extreem mogelijk is, zodat elke echte invoerwaarde die startwaarde meteen verbetert:
int langste = int.MinValue;
int kortste = int.MaxValue;
int.MinValue is de kleinst mogelijke waarde die een int (geheel getal)
in C# kan hebben. Dit is -2147483648. Door grootste daarmee te starten, is
elk ingegeven getal automatisch groter, dus bij de eerste invoer wordt
grootste meteen aangepast naar dat getal.int.MaxValue is de grootst mogelijke waarde die een int kan hebben.
Dit is 2147483647. Door kleinste daarmee te starten, is elk ingegeven
getal automatisch kleiner, dus bij de eerste invoer wordt kleinste meteen
aangepast naar dat getal.Invoer:
10
5
20
-3
-999
Uitvoer:
langste: 20
kortste: -3
Invoer:
-999
Uitvoer:
Er zijn geen getallen ingegeven.