Een gemeente besluit om gedurende een schooldag de snelheid van 20 passerende auto’s te meten. Schrijf een programma dat de snelheid van alle 20 auto’s inleest (telkens een geheel getal in km/u, één per regel) en daarna een overzicht toont van:
a) de gemiddelde snelheid, b) de hoogste snelheid, c) de laagste snelheid, d) het percentage dat sneller rijdt dan 50 km/u.
Je weet op voorhand dat er precies 20 snelheden zijn, dus een for-lus die 20 keer herhaalt is hier ideaal.
Toon vier regels uitvoer, in deze volgorde en met precies deze tekst:
Gemiddelde snelheid: g km/u
Hoogste snelheid: h km/u
Laagste snelheid: l km/u
Percentage sneller dan 50 km/u: p%
Daarbij is:
g de gemiddelde snelheid, afgerond op 2 cijfers na de komma;h de hoogste en l de laagste gemeten snelheid (gehele getallen);p het percentage auto’s met een snelheid strikt groter dan 50 km/u,
ook afgerond op 2 cijfers na de komma. Een snelheid van precies 50 telt dus
niet mee als “sneller dan 50”.Invoer:
30
40
50
60
70
80
20
10
55
45
50
50
51
49
52
53
54
55
56
57
Uitvoer:
Gemiddelde snelheid: 49.35 km/u
Hoogste snelheid: 80 km/u
Laagste snelheid: 10 km/u
Percentage sneller dan 50 km/u: 55.00%