Je maakt een class Racewagen waarmee je racewagens tijdens een kwalificatie kunt voorstellen.
Werk de opdracht stap voor stap af.
Maak een class Racewagen. Elke racewagen heeft drie attributen:
naamsnelheidrondetijdMaak daarna deze drie objecten:
wagen1 = Racewagen(“Falcon”, 280, 74)
wagen2 = Racewagen(“Comet”, 280, 70
wagen3 = Racewagen(“Viper”, 310, 71)
Voeg een methode versnel(extra) toe.
Deze methode verhoogt de snelheid van de racewagen met extra.
Voorbeeld:
wagen = Racewagen("Falcon", 280, 74)
wagen.versnel(15)
print(wagen.snelheid)
De uitvoer moet zijn:
295
Zorg ervoor dat een racewagen rechtstreeks met print() kan worden afgedrukt.
Voorbeeld:
wagen = Racewagen("Falcon", 280, 74)
print(wagen)
De uitvoer moet exact zijn:
Falcon | snelheid: 280 km/u | rondetijd: 74 s
Voor deze opdracht spreken we af dat twee racewagens gelijk zijn wanneer ze dezelfde snelheid hebben. De naam en de rondetijd spelen hierbij geen rol. Zorg ervoor dat de operator == volgens deze afspraak werkt.
Voorbeeld:
wagen1 = Racewagen("Falcon", 280, 74)
wagen2 = Racewagen("Comet", 280, 70)
wagen3 = Racewagen("Viper", 310, 71)
print(wagen1 == wagen2)
print(wagen1 == wagen3)
De uitvoer moet zijn:
True
False
We geven ook de operator * een eigen betekenis. Wanneer we twee racewagens met * combineren, rijden ze een duel tegen elkaar. De racewagen met de laagste rondetijd wint.
Voorbeeld:
wagen1 = Racewagen("Falcon", 280, 74)
wagen2 = Racewagen("Viper", 310, 71)
print(wagen1 * wagen2)
De uitvoer moet exact zijn:
Viper wint!
Wanneer beide racewagens dezelfde rondetijd hebben, is het een gelijkspel.
wagen1 = Racewagen("Falcon", 280, 71)
wagen2 = Racewagen("Viper", 310, 71)
print(wagen1 * wagen2)
Uitvoer:
Gelijkspel!