Bij een intervaltraining op de fiets wisselt een atleet krachtige minuten af met rustige minuten. Bij elke minuut neemt het piekvermogen af doordat de atleet moe wordt. In een rustige minuut fietst de atleet op 60% van het piekvermogen. In een krachtige minuut fietst de atleet op 100% van het piekvermogen.
Het piekvermogen tijdens minuut \(m\) bereken je met de formule.
\[P_m = 250 \cdot 0{,}98^{\left\lfloor \frac{m}{2} \right\rfloor}\]Het decimaal gedeelte van de exponent wordt genegeerd.
Het vermogen wordt uitgedrukt in watt. Eén watt is één joule per seconde.
Schrijf een programma dat vraagt hoeveel minuten de training duurt en berekent hoeveel energie de atleet in totaal heeft geleverd, in kilojoule. Ga ervan uit dat de training begint in minuut 0: dit is meteen een krachtige minuut.
Rond het resultaat af tot 5 cijfers na de komma
3
De renner leverde 38.70000 kJ aan mechanische energie.