Een matrix is een tabel van getallen met rijen en kolommen. Twee matrices van dezelfde afmetingen kan je optellen: je telt telkens de getallen op dezelfde plaats bij elkaar op.
Lees twee matrices van hetzelfde formaat in (hoogstens 6 rijen en 6 kolommen), druk ze naast elkaar af, en toon daaronder de sommatrix.
Matrix A naast Matrix B af. Toon dan per rij eerst de
getallen van matrix A, dan een tab ("\t"), dan de getallen van matrix B.
De getallen binnen één matrix scheid je door één spatie.Sommatrix (A + B) af, gevolgd door de sommatrix, één
rij per regel, getallen gescheiden door één spatie.Het element op rij i, kolom j van de sommatrix is A[i, j] + B[i, j].
Invoer:
2
3
1 2 3
4 5 6
7 8 9
10 11 12
Uitvoer:
Matrix A naast Matrix B
1 2 3 7 8 9
4 5 6 10 11 12
Sommatrix (A + B)
8 10 12
14 16 18