In de oefeningen 10.1, 10.2 en 10.3 heb je partiële correlaties berekend. In deze oefening oefen je de interpretatie: welk type effect heeft de controlevariabele op de relatie X–Y?
Bij partiële correlatie vergelijk je r_XY (bivariaat) met r_XY.Z (na controle voor Z):
| Type effect | Wat er gebeurt met r_XY na controle voor Z |
|---|---|
| Schijnverband | r_XY.Z ≈ 0 (verband verdwijnt → Z veroorzaakte beide) |
| Indirect verband | r_XY.Z is kleiner dan r_XY maar ≠ 0 (Z medieert deels) |
| Suppressoreffect | r_XY.Z is sterker (of omgekeerd teken) dan r_XY (Z onderdrukte ware r) |
| Reëel verband | r_XY.Z ≈ r_XY (Z heeft nauwelijks invloed) |
Figuur 1 — De vier effecttypen visueel vergeleken

Elk gekleurde punt toont de waarde van r vóór (links) en na controle voor Z (rechts). Let op de richting en grootte van de verschuiving om het type te herkennen.
Bepaal voor elk van de drie onderstaande scenario’s welk type effect de controlevariabele Z heeft.
Keuzemogelijkheden (voor alle scenario’s):
Een onderzoek bij 120 schoolkinderen onderzoekt of de grootte van de school (X) samenhangt met het pestgedrag (Y). Een biorchidoloog wijst erop dat sociaaleconomische status van de wijk (Z) mogelijk een rol speelt.
Resultaten:
Vraag A: Welk type effect heeft SES van de wijk (Z)?
conclusie_AEen criminoloog onderzoekt bij 95 jongvolwassenen de relatie tussen alcoholgebruik (X) en agressief gedrag (Y). Er wordt gecontroleerd voor stress (Z).
Resultaten:
Vraag B: Welk type effect heeft stress (Z)?
conclusie_BEen studie bij 200 gevangenen onderzoekt de relatie tussen deelname aan rehabilitatieprogramma’s (X) en recidive (Y). Er wordt gecontroleerd voor motivatie (Z).
Resultaten:
Vraag C: Welk type effect heeft motivatie (Z)?
conclusie_C