Als je gaat programmeren, maak je fouten. Dat hoort erbij. Het opsporen en oplossen van fouten heet debuggen.
Om te ontdekken waar het fout gaat, kun je de waarden van variabelen printen in je code:
getal1 = 2
getal2 = 3
getal3 = getal1 * getal2
print("getal1:", getal1, "getal2:", getal2, "getal3:", getal3)
getal2 = getal3 - getal1
print("getal1:", getal1, "getal2:", getal2, "getal3:", getal3)
Druk ook af om welke variabele het gaat — zo blijft het overzichtelijk.
Variabelen hebben een datatype. Soms gedraagt een variabele zich anders dan verwacht omdat het type niet klopt. Met type() kun je het type achterhalen:
a = 1 # int
c = "1" # string
print(a + 1) # 2 (optelling)
print(c + "1") # 11 (samenvoeging van strings!)
1 + 4 = 5 (optelling van ints), maar "1" + "4" = "14" (samenvoegen van strings).