Lucía is trainer van het jeugd atletiekteam van het dorp. Ze werkt al drie jaar met dezelfde groep en kent iedereen door en door: wie te vroeg opgeeft, wie alles geeft in de laatste sprint, en wie altijd te laat komt bij de warming-up.
Elke week, na de training, zit Lucía op de bank met haar versleten notitieboekje en schrijft de score van elke atleet op. Scores lopen van 1 tot 100.
Het probleem is dat het team nooit even groot is. Soms zijn atleten afwezig door ziekte, familieafspraken of gewoon de winterkou. De ene sessie zijn er 6 atleten, de andere 14.
Vorige week vroeg de regionale federatie het wekelijkse teamgemiddelde op voor een subsidieaanvraag. Lucía was een halfuur bezig met optellen en delen op de rekenmachine — totdat haar nichtje Marta, die informatica studeert, haar vanuit de deuropening zag:
“Tante… een programma kan dat in seconden.”
“Doe het dan”, antwoordde Lucía zonder op te kijken.
Marta ging zitten, opende haar laptop en dacht na: het programma moet scores één voor één inlezen. Omdat het aantal atleten elke week verschilt, voert Lucía -1 in als teken dat er geen scores meer zijn. Het programma berekent dan het gemiddelde en drukt het af.
Één of meer gehele getallen (scores), één per regel, eindigend met -1.
Print het gemiddelde van de gelezen scores.
Invoer:
80
60
100
-1
Uitvoer:
80