Inleiding

We kunnen een matrix voorstellen als een lijst van lijsten. Zo stelt de variabele matrix = [[1, 2, 3], [4, 5, 6]] een matrix voor met twee rijen en drie kolommen.

Opgave

1) Schrijf een functie aantal_rijen(matrix) die het aantal rijen van matrix teruggeeft.

2) Schrijf een functie aantal_kolommen(matrix) die het aantal kolommen van matrix teruggeeft.

3) Schrijf een functie maximum(matrix) die de waarde van het grootste element van matrix teruggeeft.

4) Schrijf een functie positie_maximum(matrix) die een string met het rij- en kolomnummer van het grootste element van matrix teruggeeft. Voor alle duidelijheid: we hanteren hier de wiskundige naamgeving, dus de bovenste rij noemen we rij 1, en de meest linkse kolom noemen we kolom 1. Als het grootste element meer dan één maal voorkomt, geef dan de positie van die waarde met het kleinste rijnummer. Als het maximum meer dan één maal voorkomt in een rij, geef dan de positie van die waarde met het kleinste kolomnummer.

5) Schrijf een functie gewogen_som(matrix) die de som berekent van alle elementen van de matrix, vermenigvuldigd met de som van rij en de kolom waarin dat element staat. Opnieuw: we hanteren hier de wiskundige naamgeving, dus de bovenste rij noemen we rij 1, en de meest linkse kolom noemen we kolom 1. Het is misschien gemakkelijker om dit gewoon wiskundig uit te drukken. Bereken volgende uitdrukking:

\[\displaystyle \sum\limits_{i=1}^m \sum\limits_{j=1}^n (i+j) \cdot a_{ij},\]

waarbij \(a_{ij}\) natuurlijk het element op de \(i\)-de rij en de \(j\)-de kolom voorstelt.

Voorbeelden

Invoer:

> aantal_rijen([[1, 2, 3], [4, 5, 6]])

Uitvoer:

2

Invoer:

> aantal_kolommen([[1, 2, 3], [4, 5, 6]])

Uitvoer:

3

Invoer:

> maximum([[1, 2, 3], [4, 5, 6]])

Uitvoer:

6

Invoer:

> positie_maximum([[1, 2, 3], [4, 5, 6]])

Uitvoer:

'2 3'

Invoer:

> gewogen_som([[1, 2, 3], [4, 5, 6]])

Uitvoer:

82